A T. klinkerianus (Werdermann) Backeberg cui similis, characteribus sequentibus differt: mamillis conicis nec late-rhombicis, spina centrali, unica e parte inferiori areolae orienti semicirculariter curvata, tenui, applanata, spina marginali infima decurvata: pericarpello rubrobruneo nec viridi, foliis exterioribus perianthii pallide bruneis cum stria centrali atrobrunnea nec uniformiter viribus, foliis interioribus perianthii, sordide-albis extus cum stria centrali brunnea, intus cum stria centrali rosea, fauce corollae atrorosea: solum mense Januario florens: seminibus minoribus, 0,8-1 mm longis, atrofuscis usque ad nigricantis nec atris, testae cellulis minute tuberculatis, regione hili micropyles cum protuberatione nitida.
Lichaam halfbolvormig, 15-20 mm doorsnee, direct in een naar onder toe conische knolwortel overgaand, die 30-50 mm lang is en waaruit de langere draderige wortels zich ontwikkelen. Epidermis donkergroen, ribben in tepelvormige stompe tuberkels opgelost. Areolen rond, in de nieuwgroei witwollig, later donker en kaal.
Middendoorn 1, uit het onderste deel van het areool ontspringend, cirkelrond omhoog gebogen, 12-15 mm lang, dun afgevlakt, ruw, met lichte dwarsgroeven, hoornkleurig tot bruinachtig. Daaronder 1 randdoorn, 3-5 mm lang, die omlaag is gebogen. Bloem trechtervormig, 10 mm lang, 12-15 mm breed, pericarpel roodachtig bruin, in de buitenste bloembladeren overgaand, deze bleekbruin, met brede donkerbruine middenstreep aan de rugzijde. De keel is donkerroze, wat zich voortzet in een roze middenstreep die tot de punt van de bloembladeren loopt. Meeldraden donkerroze, helmknoppen oranjegeel. Stamper 10 mm lang, roze, stempels gesloten, wit.
Bloeitijd januari tot begin februari. Zaad mutsvormig tot stomp peervormig, 0,8-1 mm, donkerroodbruin tot zwart, met fijne knobbeltjes en rond de micropyle een glanzend gladde verdikking. Testa met smalle, golvende cuticulaplooien.